Fiets met een excursie kris-kras door een landschap waar je de topografische kaart van hebt. Kijk goed rond, aanknopingspunten bij het opletten zijn bijvoorbeeld: hoogte, water, landgebruik, bebouwing, wegen.
Zoek na enige tijd een warm en droog onderkomen met een goede tafel en koffie. Leg de topografische kaart van het gebied waar je gefietst hebt op tafel en laat iedereen zich op de kaart oriënteren en uitzoeken hoe jullie gefietst hebben. (Neem daar rustig de tijd voor, niet iedereen is even bedreven in kaartlezen). Met een beetje enthousiaste excursie kan er al gauw vanzelf een gesprek ontstaan over het landschap, wat er opviel en hoe dat ontstaan kan zijn. (Let er op dat het gesprek zoveel mogelijk ideeën naar boven laat komen, het gaat er niet om wie er 'gelijk' heeft.)
Als variatie kun je kopieën van de kaart maken en die uitdelen. Geef ieder een kopie en laat door de kaart in te kleuren zien wat je aan het landschap is opgevallen, praat erover aan de hand van het inkleuren.
Met een wat minder enthousiaste excursie komt het gesprek misschien niet op gang, of weten ze niet hoe te beginnen, dan zijn er enige handreikingen te geven:
Kijk eerst naar de hoogtelijnen, beken en rivieren en van daaruit naar de rest van de kaart, wat valt je dan op?
Topografische kaarten staan vol met namen van wegen, bossen, gronden, dorpen, gehuchten enzovoorts. Uit die namen, die vaak heel oud zijn, is veel af te leiden over de geschiedenis van het landschap.
Verkaveling: de indeling van de landbouwpercelen is vaak typerend voor een landschap en zegt iets over de manier waarop de grond wordt gebruikt en wanneer en hoe het is ontgonnen.
Op iedere kaart vallen nog meer van dergelijke aanknopingspunten te ontdekken.