De bodem bekijken

Als je een stuk bodem hebt blootgelegd of met de boor omhoog gehaald zul je zien dat deze uit een aantal lagen bestaat. Die lagen verschillen in kleur, soort materiaal en grofheid van het materiaal. Zo'n laag heet 'horizont'. Een bodem beschrijf je aan de hand van deze horizonten. Het makkelijkste is om een staaf (zie figuur) te tekenen en daarin de horizonten aan te geven, in ieder geval hoe diep ze beginnen en eindigen.

Beschrijf van iedere horizont de kleur, het materiaal en de grofheid.

Kleur

Beschrijf deze zo nauwkeurig mogelijk, eventueel door naar elkaar te verwijzen (lichter, donkerder dan..); in zand- en kleigronden kun je aan de kleur de hoogst en laagst voorkomende waterstand zien. Onder de laagst voorkomende waterstand is de grond bleekblauw tot grauwgroen gekleurd, boven de hoogste grondwaterstand is de grond egaal van kleur, daartussen zie je roodbruine vlekken van verroeste ijzerdeeltjes.

Materiaal

Je kunt grofweg vijf soorten materiaal aantreffen:

Grofheid

Die laatste twee leken makkelijk, maar wat zand is en wat klei loopt geleidelijk in elkaar over.

Daarom de volgende tabel:

1- de grond is tot een potlooddikke rol uit te rollen 3

- de grond is niet tot een potlooddikke rol uit te rollen 2

2 - de grond kleeft niet aan elkaar, maar 'hangt als los zand aan elkaar' - 'leemarm tot zwak lemig zand'

- de grond hangt (in veldvochtige toestand) duidelijk samen, de korrels klitten iets aan elkaar - 'sterk lemig zand'

3 - als je de grond tussen duim en wijsvinger, vlakbij het oor, versmeert klinkt een raspend geluid - 'lichte zavel'

- bij versmeren van de grond klinkt geen raspend geluid 4

4 - het glijvlak van de versmeerde grond is stroef - 'lichte tot matige zware klei'

- het glijvlak van de versmeerde grond is glad - 'zware klei'

als zanddeeltjes groter zijn dan 2 mm dan heet dat grind, vermeld het voorkomen daarvan ook; ook van strooisel is het goed de grofheid te vermelden.