Wil je nu van al deze beestjes ook nog weten wat het zijn, gebruik dan onderstaande tabel:
1a dier zonder poten 2
1b dier met (gelede) poten 6
2a lichaam vormt een geheel 3
2b lichaam bestaat uit segmenten 4
3a lichaam zacht en slijmerig, onderste deel bestaat uit een kruipvoet (Gastropoda) slakken
3b dun en wit, langgerekt cilindrisch; een zwiepende manier van voortbewegen (Nematoda) rondwormen of aaltjes
3c aan de kop twee raderorganen; aan het eind twee staartjes raderdiertjes
4a lichaam wormvormig, langwerpig en aan beide einden toegespitst, bestaande uit vele, duidelijk zichtbare ringvormige segmenten 5
4b lichaam niet langerekt en bestaande uit minder dan 14 segmenten 22
5a bleke, meestal witachtige wormpjes, doorgaans korter dan 25 mm; weinig, relatief lange segmenten (Enchytraeidae) pot- of witwormen
5b roze, rode of paarse wormen, meestal langer dan dan 25 mm; vele, relatief korte, segmenten (Lumbricidae) regenwormen
6a meer dan vier paar poten 7
6b drie of vier paar poten 12
7a minder dan 3x zo lang als breed; 6-7 paar looppoten en een paar staartpoten; dier lijkt geharnast, glimmend, vaak grijs tot zwart (Oniscoidea) pissebedden
7b alle aanhangsels achter de kop zijn looppoten, behalve de eerste bij duizendpoten 8
8a kleine dieren(<10mm); ten hoogste 12 paar poten 9
8b grotere dieren (>10mm); meer dan 12 paar poten 10
9a zeer klein, ongeveer 1mm; 12 segementen en 9 paar poten; sprieten fijn vertakt Pauropoda
9b groter, 1-8 mm; 15-22 segmenten en 11-12 paar poten Symphula
10a per segment 2 paar poten (behalve de voorste 3); lichaam meestal cilindrisch; sprieten met hoogstens 9 leden (Diplopoda) miljoenpoten
10b per segment 1 paar poten; sprieten met meer dan 10 leden; lichaam afgeplat 11
11a lang en slank, meer dan 10 keer zo lang als breed; 31-170 pootdragende segmenten (Geophilomorpha) gravende duizendpoten
11b ten hoogste 10 keer zo lang als breed; 19 segmenten met 15 paar poten (jongen 7 paar) (Lithobiomorpha) steenkruipers
12a 4 paar poten 13
12b 3 paar poten 16
13a achterijf duidelijk gesegmenteerd 14
13b achterlijf niet gesegmenteerd 15
14a met opvallende scharen (Cheliferidae) boekschorpioenen
14b zonder scharen; lichaam bestaat uit één deel; poten extreem lang (Opiliones) hooiwagens
15a zeer klein, minder dan 2mm; lichaam bol, een geheel vormend (Acari) mijten
15b meestal groter; lichaam bestaat uit 2 delen spinnen (Araneae)
16a niet in staat om zich voort te bewegen; poten en andere aanhangsels functioneren niet en liggen onbeweeglijk tegen het lichaam aan - poppen van insecten met een volledige gedaanteverwisseling
16b wel in staat tot voortbeweging 17
17a lichaam geheel zacht, kleiner dan 2 mm, soms met een springvork of staartdraden 18
17b lichaam hard, of in ieder geval de kop hard 21
18a geen sprieten op de kop, geen staartdraden; voorpoten dienen als sprieten, achterlijf puntig; zeer klein, 0,1-2mm; geel Protura
18b wel sprieten, meestal ook aanhangsels aan het achterlijf 19
19a achterlijf bestaat uit hooguit 6 segmenten; meestal aan het vierde segment een springvork (Collembola) springstaarten 19b achterlijf met meer dan 6 segmenten 20
20a 2 staartdraden; lichaamslengte tot 10mm Diplura
20b 3 staartdraden; meestal langer dan 9mm; bedekt met glanzende schubben (Thysanura) franjestaarten
21a dier hooguit met vleugelaanleg; slechts de kop hoornachtig (hard) 22 (insektenlarven)
21b volledige vleugels; meerdere delen hoornachtig 23
22a poten aanwezig; kop volledig hoornachtig keverlarven
22b poten ontbreken; kop gedeeltelijk hoornachtig vliege- en muggelarven
23a 1 paar vleugels (en 1 paar halters) (Diptera) vliegen en muggen
23b 2 paar vleugels 24
24a voorvleugels geheel of gedeeltelijk verhard, hoorn- of leerachtig, de vliezige achtervleugels bedekkend 26
24b bijde vleugels vliezig, of met schubben bezet, voorvleugels nooit hoorn- of leerachtig 25
25a vleugels met, vaak fraai gekleurde, schubben bezet (Lepidoptera) vlinders
25b beide vleugels vliezig, doorzichtig (Hymenoptera) mieren, wespen en bijen
26a monddelen verworden tot zuigsnuit 27
26b monddelen anders 28
27a voorvleugels geheel hoornachtig (Homoptera) cikaden en luizen
27b voorvleugels vanaf de basis grotendeels leerachtig, maar aan de top vliezig (Heteroptera) wantsen
28a de voorvleugels zijn leerachtig, er zijn duidelijk aderen op te zien 29
28b voorvleugels hoornachtig, zonder aderen 30
29a achterpoten (springpoten) met verdikte dij (Saltatoria) sprinkhanen, krekels
29b achterpoten normaal, lichaam plat, kop geheel onder halsschild verborgen (Dictyoptera) kakkerlakken
30a laatste segment van het achterlijf met twee gekrulde vorken (Dermaptera) oorwormen
30b achterlijf zonder dergelijke vorken 31
31a de dekschilden bedekken wel de achtervleugels, maar niet het gehele achterlijf (Staphylinidae) kortschildkevers
31b de dekschilden bedekken het gehele achterlijf (Coleoptera) kevers